Ecologisch Adviesbureau Van Tweel

Bureau voor Ecologisch advies en Botanisch onderzoek


Inventarisaties

Inventarisaties zijn vaak de basis van ecologische advisering. Hieronder is een overzicht opgenomen met voorbeelden van inventarisaties die ik kan uitvoeren. Een aantal daarvan is onderaan verder uitgewerkt:


Inventarisaties: Bij ecologische advisering zijn goede inventarisaties vaak groot belang. Het is belangrijk om te weten welke soorten waar en wanneer voorkomen. Zonder goede verspreidingsgegevens is het vaak moeilijk adviseren. Hoewel ik vooral gespecialiseerd ben in botanisch onderzoek, ben ik van veel markten thuis en worden faunistische inventarisaties zeker niet uitgesloten. Dat betekent ook dat combinaties goed mogelijk zijn, zoals het inventariseren van vlinders, sprinkhanen en libellen tijdens vegetatiekarteringen. Dit werkt vaak veel efficiŽnter dan apart hiervoor het veld ingaan.
Het is wellicht een open deur, maar wel belangrijk om aan te geven: veldwerk is seizoensafhankelijk. De meeste soortgroepen kunnen alleen in het zomerhalfjaar geÔnventariseerd worden. Stinzenplanten in bossen moeten soms al in maart-april worden gezocht, graslanden moeten vaak in mei worden bekeken, overige bossen, waterplantenvegetaties en hoogveen kunnen tot in augustus of september worden onderzocht. Paddenstoelen zijn nog sterker afhankelijk van het seizoen. Voor een goede inventarisatie zijn 4 bezoeken tussen augustus en november en 1 in het voorjaar nodig gedurende 3-5 jaar en dan alleen tijdens natte perioden.
Een goede inventarisatie begint bij een goede voorbereiding. Het is belangrijk om alle oude gegevens (soortenlijsten, verspreidingsgegevens, vegetatiekartering, atlassen, NDFF, waarneming.nl) goed te bestuderen. Op die manier wordt voorkomen dat minder opvallende soorten over het hoofd worden gezien of dat determinatiefouten gemaakt worden. Als een soort toch wordt gemist kan er direct terug worden gekeken. Soms moet er even een andere bril worden opgezet of is er een bepaald zoekbeeld nodig om net die ene waarneming te doen.
Mijn visie: Voordat er geÔnventariseerd wordt, is het altijd belangrijk goed na te denken over de doelstelling van de inventarisatie. Anders wordt er snel te veel (= te duur) of zelfs het verkeerde onderzocht. Als de complete natuurwaarde van een gebied moet worden onderzocht, is een veel uitgebreidere inventarisatie aan de orde.
Het is belangrijk om altijd kritisch te blijven tijdens het veldwerk. Het is onmogelijk om elke vierkant meter te onderzoeken. Daarom worden vooral overgangen, randen en andere kansrijke plekken onderzocht. Ecologen die veel in het veld komen, ontwikkelen hiervoor snel een gevoel en kunnen onbewust snel een goed inschatting maken waar wel en waar geen kansen zijn voor bijzondere soorten. Hierdoor is het mogelijk op een efficiŽnte manier inventarisaties uit te voeren. De inventarisaties zijn echter nooit 100% compleet. Er kunnen altijd vindplaatsen worden gemist en een vroege of late soort kan soms gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Hoewel altijd volledigheid wordt nagestreefd, is het belangrijk te realiseren dat dit nooit gehaald kan worden.
Een voorbeeld om dit is illustreren is het tijdstip van de inventarisatie van graslanden: Het is gebruikelijk graslanden alleen in het voorjaar te inventariseren, zo tussen begin mei en de eerste maaibeurt (meestal half juni). Het is mij echter gebleken dat hiermee toch veel soorten worden gemist. Soorten zoals Glanshaver, Gestreepte witbol, Vogelmuur, Timoteegras, Jakobskruiskruid en Grote weegbree zijn pas in de later in de zomer goed te vinden of nemen in loop van het seizoen sterk toe. Andersom zijn er soorten zoals Gewoon reukgras, Grote vossenstaart, Gewone vogelmelk, Paardenbloem en Pinksterbloem die in het voorjaar soms veelvuldig aanwezig zijn, maar bij een latere inventarisatie soms niet of veel minder terug te vinden zijn. Afhankelijk van de doelstelling van de inventarisatie kan het daarom soms nodig zijn het grasland zowel in het voorjaar, als in de zomer te onderzoeken.

Vegetatiekarteringen zijn zeer geschikt als basis voor bijvoorbeeld beheerplannen. Het geeft de verspreiding van vegetatietypen in een terrein en daarmee een goed beeld van de natuurwaarde ervan.
Mijn visie: Helaas is er in het verleden veelal gekarteerd met lokale vegetatietypen zonder deze gedetailleerd te beschrijven. Hierdoor is achteraf niet altijd duidelijk wat met de typen bedoeld is, sluiten de vegetatiekaarten niet aan op landelijke typologieŽn en zijn ze moeilijk onderling vergelijkbaar. Mijn voorkeur gaat uit naar een lokale typologie met een directe aansluiting bij de landelijk geaccepteerde Vegetatie van Nederland (Schaminťe et al.). Dit heeft als voordeel dat een directe aansluiting en vergelijking wel mogelijk is. Vaak is het wel nodig om extra typen te onderscheiden, omdat de landelijke typologie te grof is voor beheerevaluatie-doeleinden. Dit gebeurt zo veel mogelijk door typen van de Vegetatie van Nederland onder te verdelen: Alleen associaties, subassociaties, romp- en derivaatgemeenschappen worden onderverdeeld. Eventueel kunnen ook nieuwe romp- en derivaatgemeenschappen worden onderscheiden. Voor goede kaartbeelden kan het nodig zijn om ook landschapstypen toe te voegen, zoals bebouwing, erf, open water, houtwal, singel, jonge aanplant en intensieve graslanden en akkers.
Bij herhaling van vegetatiekarteringen gelden andere regels. Hierbij is het juist van groot belang om de oude typologie zo goed mogelijk te volgen. Dit is de enige manier om een goede vergelijking mogelijk te maken. Eventueel kunnen vegetatietypen van de oude kartering zo worden onderverdeeld dat ze beter passen in de landelijke typologie.
Soms zijn de vegetatietypen niet eenduidig te karteren. De typen komen dan bijvoorbeeld in mozaÔek voor of er is een mengvorm van twee (of meer) vegetatietypen. In dit geval wordt steeds het meest voorkomende vegetatietype voorop gezet (deze bepaalt de kleur op de kaart), gevolgd door de andere typen. Door middel van percentages wordt de verhouding aangegeven. Er worden maximaal drie vegetatietypen onderscheiden. Als er meer dan 3 vegetatietypen in mozaÔek voorkomen, moet daar ter plaatse een oplossing voor gevonden worden. Bijvoorbeeld door middel van een soortkartering of toch uitsplitsen van de typen.
Heel vaak worden vegetatiekarteringen beperkt tot vlakvormig voorkomende vegetatietypen. Deze keuze doet veelal echter geen recht aan de diversiteit in het veld. Veel bijzondere vegetatietypen komen juist voor op overgangen of zijn beperkt tot kleine oppervlakten of lijnvormige elementen. Sloten, oevers, paden en bosranden zijn voorbeelden hiervan. Afhankelijk van de keuze van de karteerschaal, vaak 1:5.000, zijn deze vaak te smal of te klein om gekarteerd te worden. Het zou daarom goed zijn vegetatiekarteringen niet alleen vlakvormig uit te voeren, maar uit te breiden met lijnvormige (en puntvormige) elementen voor de meer bijzondere vegetatietypen. Eventueel kunnen deze lijnen of punten later op de kaart als smalle of kleine vlakken worden weergegeven.

Paddenstoelen in naaldbossen. Naaldbossen verdwijnen in hoog tempo uit het Nederlandse landschap. De exoten moeten plaatsmaken voor inheemse soorten en daarom worden deze bossen vaak omgevormd naar loofbossen of gekapt voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld heide. Vaak zijn deze ontwikkelingen positief en dragen bij aan de biodiversiteit. Naaldbossen zijn er echter in allerlei vormen, waarvan sommige reeds een hoge natuurwaarde hebben. Omdat naaldbossen in Nederland vaak arm aan plantensoorten zijn, zijn deze natuurwaarden daaraan vaak niet af te lezen. Paddenstoelen-inventarisaties kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Als de naaldbossen vooraf op paddenstoelen worden geÔnventariseerd, kan tot een betere afweging gekomen worden welke naaldbos-percelen geringe waarde hebben (en dus omgevormd kunnen worden) en welke een hogere natuurwaarde hebben (en dus gespaard zouden moeten worden).
Mijn visie: Ik ben geen voorstander van het geheel omvormen van naaldbossen naar inheemse typen. Als alle naaldbossen verdwijnen wordt daarmee ook een deel van de (ecologische) geschiedenis van een gebied verwijderd. Zelfs structuurarme naaldbossen hebben een bepaalde (landschappelijke ťn ecologische) waarde, die vaak ook gewaardeerd wordt door bezoekers. Omvorming van naaldbos is goed, maar laat hier en daar enkele naaldbomen of zelfs percelen staan. Ook dat draagt bij aan de diversiteit van een gebied.
Veel van de naaldbospaddenstoelen zijn strikt gebonden aan de exotische naaldbomen. Daarmee zijn in mijn visie die paddenstoelsoorten ook exoten. Dit is echter geen disqualificatie voor de naaldbospaddenstoelen of de naaldbomen zelf. Ze hebben allemaal ecologische, landschappelijke en belevingswaarden die het behouden meer dan waard zijn. Bij de prioritering van de natuurdoelen en -middelen kan wel met de status van exoot rekening gehouden worden.

Ecologische basiskarteringen zijn karteringen van alle beschermde soorten in een bepaald gebied, zowel planten en dieren als hun habitats. Bij voorkeur worden ook andere kwetsbare (niet beschermde, maar wel beschermenswaardige) soorten en habitats meegenomen. Te vaak worden allerlei (bouw-) projecten stilgelegd vanwege het voorkomen van beschermde soorten. Voorbeelden zijn er genoeg, denk maar aan soorten als Rugstreeppad, Zeggekorfslak en Oeverzwaluw. Een ecologische basiskartering kan dit soort problemen voorkomen.